’S-GRAVENHAGE - Pierre Kortooms (†)
‘k Begin te fluiten in de stad
de regen huilt de straten nat,
grote gebouwen, hoge daken,
ik wil een nieuw gedicht gaan maken.
De bus heeft mij rond middernacht
naar ’t centrum van de stad gebracht,
de torenklok slaat twaalf slagen
over nachtelijk ’s-Gravenhage.
Een tram kruipt als een log gedrocht
kreunend en hijgend door de bocht,
een vonkenregen uit de draden,
een exploderend zich ontladen.
In ’n opgezweepte karavaan
stromen auto’s dreigend aan;
een vrouw fietst zonder achterlicht,
in al die drukte een eng gezicht.
Een zwaar-vergrijsde heilsoldaat
De Strijdkreet in zijn hand paraat,
wordt nageschreeuwd door ‘n jonge knul:
"hé, vader Abraham, ouwe sul".
Een echtpaar scheldend op elkaar:
"Rotvent, oudwijf, vuile barbaar";
een vrijend paartje bij de bus,
het natte geluid van een afscheidskus.
Twee krolse katers in een steeg,
naargeestig donker, doods en leeg;
een surveillerende agent
die naar een burenruzie rent.
Een blinde met een witte stok,
zijn lopen lijkt één grote gok,
tikt tastend alle muren aan;
zo zie ‘k hem langzaam verder gaan.
Bekakte klanten in een soos;
een aangeschoten zeematroos,
gestruikeld over een vuilnisblik,
schreeuwde hij ruig en ziedend: "Stik"!
Een afgetobde homofiel
met doffe ogen zonder ziel;
het flets gezicht van ’n prostituee
bij de ingang van een goor café.
Verslaafden die harddrugs gebruiken,
serveersters met te blonde pruiken;
een provocerende seksboetiek,
een slapende zwerver in ’n portiek.
Een bruut schopt vloekend naar een hond
die zijwaarts wat te plassen stond;
een brug, gebogen over ‘n gracht,
een dronken vent die keihard lacht.
Boven de toppen van de bomen,
begint een bleke maan te dromen;
ik denk: wat zijn de mensen druk
op jacht naar surrogaat-geluk.
Popmuziek uit een discotheek
vol tieners midden in de week;
in de serre van een restaurant
verveelde mannen met hun krant.
Flitsend schrijven neonlichten
nerveuze teksten, snelgedichten;
een stel bezoekers op een hoop
bij de kassa van een bioscoop.
Spookachtig staat een schoolgebouw,
de ramen stuk, in diepe rouw;
uit de galmgaten van de toren
laat ’t carillon zijn klanken horen.
Twee Turken en een Marokkaan,
altijd met zwarte pakken aan;
ze zijn niet samen, maar apart,
de eenzaamheid schreit in hun hart.
Ik ben weer terug waar ik begon.
De plek waar ‘k toen nog fluiten kon;
ik blijf hier stil met pijngedachten
geduldig op een taxi wachten…
Het regent weer, ik heb het koud,
ik voel me moe, de stad is oud,
ik liep zowat mijn schoenen stuk,
‘k heb veel gezien, maar geen geluk.
Uit de bundel "Gedichten op het behang" van Pierre Kortooms.



















